Een middag aan de
sluis
Wie durft te verdwalen ontdekt
nieuwe wegen, zegt men. En zo komen mijn vriendin en ik, na een
bezoekje aan een rommelmarkt in de omgeving, bij de sluis van
Loisy terecht. Een hobbelig zandpad leidt ons langs de Seille
naar een beboste uitspanning onder een krans van bomen met het
uitzicht op een kasteel. Het had een tafereel uit vroeger
tijden kunnen zijn, ware het niet dat een bourgondische
wijnkoopman er zijn kraam heeft opgezet met een bonte
verzameling plastic tafels en stoelen.
Op deze warme zondagmiddag is het
er een komen en gaan van bootjes die elk aanleggen, wachtend
voor de sluis. Mensen springen aan wal, wandelaars kijken,
honden spelen. Nieuwsgierig geworden parkeren we de auto en we
worden direkt opgenomen in het geroezemoes. We maken kennis met
Marcel en Lulu, de uitbaters van de wijnkraam. Twee jaar
geleden vestigden ze zich als wijnhandelaars in de Bresse en
vonden, door een buffet te openen aan de Seille, de ideale
manier om op gezellige wijze het brood te
verdienen.
Met deze uitspanning van Marcel
en Lulu is er weer een ouderwetse 'halte fluviale' gekomen. Een
stopplaats die uitnodigt tot het strekken van de benen, een
praatje, en -waarom niet- tot het drinken van een glas rode
wijn. De meeste langsvarende bootjes zijn gehuurd door
vakantiegangers: met name Zwitsers, Fransozen, wat Nederlanders
en een enkele Amerikaan die, onder Friese vlag, met een
gehuurde boot vanuit Balk afzakt naar de Middellandse zee. Een
stopplaats ook noodzakelijkerwijs, omdat de sluis door de
pleziervaarder zelf handmatig moet worden bediend. En alhoewel
de terrasgangers met plezier een middagje assisteren, is Marcel
een andere mening toegedaan: "Ze huren een dure boot, zakken de
Seille af en meer weten ze niet," moppert hij.
Omdat huurders, in
tegenstelling tot eigenaars, geen vaarvergunning nodig hebben
en slechts oppervlakkig worden ingelicht, weten de meesten bij
de sluis niet goed wat te doen. Zo heeft hij ooit 's ochtends
een boot in de sluis aangetroffen die er de hele nacht had
gelegen; de vaargasten wisten niet hoe ze eruit moesten komen.
Dus haalt Marcel menig stuurman aan wal om uit te leggen hoe
het handbediende mechanisme van zowel de sluisdeur als de in-
en uitlaatschuiven werken.
Na deze toevallige ontdekking van
de sluis kom ik regelmatig terug. Alleen, met de kinderen of
met vrienden. Om te praten, te vissen, te barbecuen en soms
zelfs om te zwemmen, wanneer de avond invalt en bijna iedereen
weg is. De sfeer is idyllisch. Het is zoals Marcel zegt: "Le
con s'exclut tout seul"...diegenen die er niet bijhoren,
verdwijnen vanzelf!
Zo kom ik weer terug in het
naseizoen, op een zondagmiddag in september. Marcel begroet me
met een grijns. Hij wijst naar een eenzame boot in de sluis.
Een platbodem die ooit werd gebruikt voor het overvaren van
caravans. Nu is deze omgebouwd tot een frisgeverfd terras, met
een soort telefooncabine als stuurhut en in het midden een
tafel met wat stoelen. Hij nodigt me uit de boot van dichtbij
te bekijken.
Wanneer ik in de sluis afdaal,
tref ik er een vriendelijk heerschap aan; een vriend van Marcel
en eigenaar van de boot. Hij knoeit wat met de touwen, is even
in verlegenheid gebracht, maar niet lang. Met een glimlach
nodigt hij me uit aan tafel. Vervolgens komen er een fles wijn
en twee glazen tevoorschijn. Terwijl hij die volschenkt met een
koele Crémant de Bourgogne loopt de sluis langzaam leeg. Hij
vertelt me hoe hij als eigenaar van de camping aan de rivier,
bij het stadje verderop, op zondag altijd gaat varen met enkele
bevriende weekendgasten.
Diezelfde gasten laten nu
overigens van zich horen. Ze staan nog aan wal en kijken met
gemengde gevoelens naar de geopende fles en het zakkende
bootje. Kwinkslagen gaan over en weer. Uiteindelijk maak ik met
ze kennis: hardwerkende kleine zelfstandigen uit Dijon en Lyon
die elke vrijdagavond de stad verruilen voor de rust van een
paar nachten platteland.
Ik word uitgenodigd voor een
boottochtje op de Seille. En alhoewel ik andere plannen voor de
middag had, neem ik de onverwachte uitnodiging met plezier aan.
Ik geniet van het vrolijke gezelschap. Nadat enkele
terrasgangers de sluizen hebben geopend, vaart de boot langzaam
door de brede rivier richting Cuisery. We glijden door een
glooiend landschap met weilanden, bossen en Bressaanse
boerderijen. Loom onderuit gezakt, groeten we de vissers langs
de oever. De zes kilometer lange tocht, duurt aangenaam lang.
Eenmaal aangemeerd bij de camping van Cuisery krijg ik een
rondleiding over het terrein. De weekendgasten laten me de
haven zien.
Aan het eind van de middag,
als de zon langzaam ondergaat, word ik met een speedboot
teruggevaren naar de sluis. We meren aan bij Marcel, waar, in
het schemerduister, de laatste klanten zitten. Het is een
gemêleerd internationaal gezelschap. Lege wijnflessen worden
ongemerkt vervangen door volle. Op de tafeltjes liggen plakken
worst en stukken baguette. Met het invallen van de avond wordt
er steeds zachter gepraat en harder gelachen. We zingen een
potpouri van liedjes, waarbij iedereen in zijn eigen taal z'n
best doet. Zo klinkt er in de stilte van de nacht de 'Danse de
Canard', gevolgd door het Friese volkslied. Met een schitterend
'Avé Maria', gezongen door een echte tenor, wordt de dag in
perfecte harmonie afgesloten.
~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~
|